KNO

Het gehoororgaan bestaat uit drie gebieden:
het uitwendige oor (oorschelp en gehoorgang), waardoor de geluiden binnenkomen; het middenoor, waarvan de trommelholte het belangrijkste deel is. Op de grens tussen gehoorgang en trommelholte bevindt zich het trommelvlies, dat de geluidstrillingen via de gehoorbeentjes (hamer, aambeeld, stijgbeugel) doorgeeft aan:

het binnenoor, waarin zich de gehoorzenuw bevindt. Deze gehoorzenuw zet geluidstrillingen om in een signaal aan de hersenen. Op die manier kan iemand zich bewust worden dat er ergens een geluid is, kan iemand "bewust" horen.

Het feit dat kinderen met schisis vaker gehoorproblemen hebben, komt bijna altijd door stoornissen in het doorgeven van de geluidstrillingen aan het binnenoor. Bij kinderen met schisis werken het trommelvlies en de gehoorbeentjes vaak niet zo goed.

Hoe komt dit nu?
De buis van Eustachius is een heel nauw kanaaltje, dat van de neus- keelholte naar het middenoor loopt. Het openen en sluiten van deze buis wordt gedaan door de spieren van het zachte gehemelte. Vooral aan de kant van de neus- keelholte is de opening van de buis van Eustachius erg nauw. In rust is ze eigenlijk dicht. Alleen als we de gehemeltespieren gebruiken (bij gapen en slikken, bijvoorbeeld) gaat de buis van Eustachius open. Aan de andere kant mondt de buis van Eustachius uit in de trommelholte (het middenoor). Dit is de holte achter het trommelvlies. De wanden van het middenoor zijn met slijmvlies bekleed, dat steeds kleine hoeveelheden vocht (dun slijm) vormt. Dat vocht loopt via de buis van Eustachius naar de neus- keelholte.

Bij kinderen met een gehemeltespleet en/of een te kort aangelegd gehemelte gaat de buis van Eustachius vaak niet goed open omdat de werking van de gehemeltespieren niet voldoende is. Daardoor ontstaat er in het middenoor vochtophoping en zit er minder lucht in het oor. Het trommelvlies kan niet meer goed meetrillen met het geluid en kan geluid dus niet goed doorgeven (geleiden) aan het gehoorzintuig: het kind hoort slecht.
Dat wordt "geleidingsverlies" genoemd. Zo kan slechthorendheid ontstaan, zonder dat er sprake is van een ontsteking of oorpijn. Het wisselend optreden van gehoorproblemen is iets waar de ouders op moeten letten. Ook de leerkrachten op school moeten op de hoogte worden gebracht, omdat de kinderen zelf hierover vaak niet klagen.

Oren met vocht erin raken makkelijker ontstoken. Dat kan een blijvende beschadiging veroorzaken. De KNO-arts kan een kunstmatige verbinding naar buiten maken door plaatsing van trommelvliesbuisjes (zgn. boordeknoopjes). Daardoor zijn er geen luchtdrukverschillen meer tussen middenoor en buitenwereld.
Het trommelvlies kan het geluid nu weer goed opvangen en doorgeven. Na verloop van tijd (gemiddeld 6 tot 12 maanden) wordt zo'n boordeknoopje vanzelf weer uitgestoten, het gaatje groeit dan snel dicht. Eventueel wordt opnieuw een trommelvliesbuisje geplaatst. Als het kind ouder wordt (9 tot 11 jaar) en uitgroeit, gaat de buis van Eustachius vaak weer voldoende werken. Het is dus meestal een tijdelijk probleem. De buis van Eustachius gaat soms na een pharynxplastiekoperatie ook beter werken. Buisjes zijn na deze operatie dan niet meer nodig.
Voor die tijd moet uw kind echter ook goed kunnen horen en zo'n boordeknoopje is daarom een dankbare oplossing. Bovendien vermindert het de kans op oorontstekingen en daardoor kunnen vergroeiingen worden tegengegaan. Soms wordt overwogen een trommelvliesbuisje te plaatsen dat langer dan 12 maanden blijft zitten: een T-buisje. Het nadeel van T-buisjes is een iets grotere kans op een blijvend gaatje in het trommelvlies.
Oorontstekingen kunnen niet altijd worden voorkomen, omdat de kans op infecties vanuit de neus- keelholte naar het middenoor blijft bestaan. Dit gebeurt met name bij zwemmen in chloorwater. *


* informatie verkregen van www.schisis.nl