Logopedie Het spreken Zowel door een anders gevormde mondholte als door gehoorproblemen kan de spraakklank en de ontwikkeling van het spreken bij een kind met schisis afwijkingen vertonen. Om dit te verhelpen, is soms een operatie nodig. Dit overlegt de specialist met u tijdens het spreekuur. In andere gevallen kan de logopedist(e) veel doen. Maar de belangrijkste bijdrage kunt u zelf leveren. Leren praten Het is belangrijk dat uw kind het leuk gaat vinden om te brabbelen en te praten. Dit stimuleert u vanzelf door te reageren op de geluidjes die uw kind maakt. Meestal doen de ouders de geluidjes van hun baby na en dat is goed. Je ziet dan vaak dat de kinderen het nog eens doen. Op deze manier ontstaat een gesprekje in brabbeltaal. Als uw kind woorden gaat zeggen, is het belangrijk om niet meer de kleutertaal van uw kind te imiteren maar om het juist goed te zeggen. Het kind kan klanken nog niet goed zeggen en is daarmee nog aan het oefenen. Het is nodig dat uw kind het goede voorbeeld veel hoort. Als het kind een woord niet goed kan zeggen, kunt u het op de juiste manier in een eenvoudig zinnetje gebruiken. Dat is prettiger dan het kind te verbeteren of het een woord te laten nazeggen. Het is belangrijk dat de ouders zelf niet te snel praten. Een kind laat zich niet dwingen tot praten. Laat uw kind dus zelf bepalen of het wel of geen zin heeft om te praten. Spelletjes en activiteiten die goed zijn voor de spraak- taalontwikkeling: - samen kinderliedjes zingen - samen plaatjes kijken, boekjes lezen - praten over de dingen die u samen doet in huis, op straat, op de fiets, etc. Vertel zelf wat u ziet of doet maar laat uw kind ook veel vertellen en ga daar op in. Het is beter het niet te verbeteren, maar alleen het goede voorbeeld te geven. Spraakontwikkeling Iedere taal kent een aantal klanken, die speciaal bij die taal horen. Het leren herkennen en het leren uitspreken van die klanken noemen we spraakontwikkeling. Voor deze ontwikkeling is het belangrijk dat uw kind de spieren van lippen, tong en gehemelte goed kan bewegen ?n dat het goed hoort. In de eerste 3 jaar leren kinderen controle te krijgen over de verschillende spieren en leren ze luisteren. Met ongeveer 3 jaar kunnen ze vrijwel alle klanken vormen. Alleen de /s/ en de /r/ vormen vaak een uitzondering. Deze twee klanken hoeft een kind pas met ongeveer 6 jaar goed te kunnen uitspreken. Tussen hun 3e en 5e jaar leren kinderen de verschillende klanken te gebruiken in woorden. Eerst worden klanken in woorden nog vaak weggelaten of vervangen, bijvoorbeeld: fiets=piets; bloem=boem; kraan=klaan. Ook van twee of drie medeklinkers aan het begin of eind van een woord wordt er vaak eerst maar één uitgesproken, bijvoorbeeld: stoel=toel; vliegtuig=viegtuig. Een 6-jarig kind kan de klanken van een taal goed uitspreken en ze ook in woorden gebruiken. Taalontwikkeling Taalontwikkeling is het leren begrijpen van de betekenis van de woorden die het kind hoort. Hierdoor wordt het mogelijk om zelf gedachten en wensen onder woorden te brengen. Taalontwikkeling is dus eigenlijk de manier waarop kinderen woorden en zinnen leren begrijpen en leren uitspreken. Deze ontwikkeling verloopt meestal volgens een vast patroon. Tussen 1 en 1? jaar begint het kind de eerste woordjes te zeggen. Deze woordjes worden vaak nog niet goed gevormd, doordat ook de spraakontwikkeling nog in volle gang is. Het kind kan bijvoorbeeld zeggen: taat=staart, of pa-pu=paraplu. Het is normaal dat het spreken soms een beetje neuzig (nasaal) is. Tussen 1? en 2 jaar beginnen kinderen zinnetjes te maken van 2 woorden. Ook dan worden de woorden nog niet altijd goed gevormd en kan het spreken soms neuzig zijn. Het kind kan bijvoorbeeld zeggen: fieze buite=ik wil buiten fietsen, of kinne boem= de vlinder zit op de bloem. Tussen 2 en 3 jaar gaan kinderen zinnetjes maken van 3 tot 5 woorden. Wanneer ze naar de kleuterschool gaan, kunnen ze zich vaak al aardig uitdrukken. Ongeveer driekwart van wat uw kind vertelt, is dan ook voor anderen verstaanbaar. Nasaliteit is een verschijnsel waarbij de spraakklanken teveel door de neus klinken (= open nasaliteit). Tijdens het spreken moeten de meeste klanken door de mond worden gevormd. Het zachte gehemelte wordt dan opgetrokken en sluit de mondholte aan de achterzijde af. Slechts bij drie spraakklanken, de /m/, /n/ en /ng/ is deze afsluiting niet noodzakelijk. Deze klanken moeten zelfs door de neus klinken. Door de werking van het zachte gehemelte (optrekken en niet optrekken) kan een onderscheid worden gemaakt tussen orale klanken (waarbij de lucht door de mond gaat) en nasale klanken (waarbij de lucht door de neus gaat). Spraak- taalontwikkeling en nasaliteit bij schisiskinderen Bij kinderen met een spleet in de lip of kaak heeft de spleet nauwelijks of geen effect op de spraak- taalontwikkeling van het kind. Nasaliteit komt hierbij dan ook niet voor. Bij kinderen met een spleet in het zachte gehemelte functioneert vaak het optrekken van het zachte gehemelte niet of onvoldoende. Er kan dus in dit geval geen luchtdruk opgebouwd worden. Orale klanken gaan afwijkend klinken; ze worden nog neuziger of ze worden vervangen door meer naar achter in de mond liggende medeklinkers of glottisslagen (=stembandplofjes). Bijvoorbeeld de /p/ wordt een glottisslag. Deze lijkt op een /p/ maar wordt gemaakt op stembandniveau voordat de lucht ontsnapt via de spleet. De taalontwikkeling hoeft geen probleem op te leveren, tenzij het kind veel last heeft van middenoorproblematiek. Als het kind daardoor slechter hoort heeft het moeite om woorden en zinnen te begrijpen en te leren uitspreken. Wanneer een kind met schisis minder duidelijk spreekt dan zijn leeftijdgenootjes moet worden onderzocht wat er precies aan de hand is: een spraakprobleem, een taalprobleem, te nasaal spreken of een combinatie van deze problemen. Het is mogelijk dat deze problemen veroorzaakt worden doordat er een lichamelijke tekortkoming is. Hiervoor worden verschillende onderzoeksmethoden gehanteerd. Tijdens het spreekuur onderzoekt de logopediste met een aantal tests of de spraak- en nasaliteitsproblemen voortkomen uit een lichamelijke tekortkoming. Zij beoordeelt of met behulp van logopedische behandeling een acceptabele spraakontwikkeling mogelijk is. Als dat niet kan is misschien een spraakverbeterende operatie noodzakelijk. Bovendien wordt tijdens het spreekuur door het team in de mond gekeken om de vorm en het optrekken van het zachte gehemelte te beoordelen. Indien uit deze onderzoeken het vermoeden ontstaat dat spraak- en nasaliteitsproblemen veroorzaakt worden door een niet goed werkend gehemelte, dan wordt meer uitgebreid onderzoek verricht door middel van endoscopie. Endoscopie Dit is een onderzoek waarbij de keel-, neus- en oorarts met behulp van een flexibele kijker (doorsnede ? 4 mm) het spraakmechanisme beoordeelt. De neus wordt eerst verdoofd met een spuitbusje met verdovingsvloeistof. Dat is niet pijnlijk, maar smaakt wel bitter. Vervolgens wordt de kijker in de neus ingebracht en wordt het spraakmechanisme beoordeeld. Op deze manier kan de arts een goede indruk krijgen waardoor de open neusspraak wordt veroorzaakt. Deze onderzoeken kunnen er toe leiden dat de plastisch chirurg een spraakverbeterende operatie uitvoert (een pharynxplastiek). Pharynxplastiek (spraakverbeterende operatie) Bij deze operatie wordt uit de achterwand van de keel een stukje slijmvlies gesneden, dat ingehecht wordt in het zachte gehemelte.* * informatie verkregen van www.schisis.nl
|